Welcome

I’m a lecturer at Utrecht University trying to figure out the meaning of language, and the meaning of life in my spare time. I recently defended my PhD thesis which you can find here. You can find out more about my research projects and other interests under the ‘Research’ tab above. This page also contains a list of papers and publications.

Apart from this, I sporadically blog about things that interest/move/amuse/anger me – including but not limited to social justice, food, art, feminism, religion and my latest unfinished sewing projects.

Teaching:

  • Methods in AI Research 2015/2016 (with Brigitta Keij and many others)

Past teaching:

  • Semantics and Pragmatics: variation and interpretation (with Rick Nouwen)
  • Inleiding Taalkunde 2014/2015 (with Rick Nouwen and Michael Moortgat)
  • Semantiek 2013/2014 (with Alexis Dimitriadis, Assaf Toledo & Yoad Winter) – course website
  • Inleiding Taalkunde 2012/2013 (with Marieke Schouwstra & many others) – course website
  • Foundations of Semantics and Pragmatics 2012/2013 (with Yoad Winter and Assaf Toledo) – course website
  • Semantiek 2012/2013 (with Yoad Winter and Assaf Toledo) – course website
  • Inleiding Taalkunde 2011/2012 (with Rick Nouwen)
  • Semantiek 2011/2012 (with Yoad Winter)
  • Inleiding Taalkunde 2010/2011 (with Anna Chernilovskaya and Yoad Winter)

Other/overig:
I’m an editor of Radix, a Dutch academic journal exploring issues at the crossroads of academia, society and religion. Publiceren in Radix? Neem contact op!

Posted in Uncategorized | 2 Comments

‘Incorporerende’ werkwoorden: het Nederlands heeft meer gemeen met het Catalaans, Noors en Grieks dan je zou denken

(Voor een algemene inleiding op deze post (over de Grote Vragen waar onderzoek als dit antwoord op probeert te geven) lees je eerst het Semantisch Intermezzo 2.)

“Het lijkt me superleuk om de wetenschap in te gaan, maar ik wil wel breed onderlegd blijven hoor, voor je het weet ben je twintig jaar van je leven alleen maar bezig met negatie in het Yoruba ofzo HA HA stel je voor!” – Hanna, circa 2004

Was ik niet aandoenlijk? Inmiddels ben ik al vijf jaar bezig met onderzoek naar de zin ‘Het team draagt een blauw shirt’ en hij komt me nog steeds maar een heel klein beetje de strot uit. (Ik overdrijf natuurlijk, mijn onderzoek gaat heus wel over meer dingen, bijvoorbeeld varianten van diezelfde zin in het Brits Engels. Ik wil tenslotte breed onderlegd blijven. Hoor.)

Waarom is die zin zo vreselijk interessant? Mijn meest recente antwoord: omdat we hem kunnen gebruiken om aan te tonen dat talen die zich ogenschijnlijk verschillend gedragen, op een dieper niveau toch onverwachte overeenkomsten vertonen, waardoor-ie een waardevol inzicht biedt in de relatie tussen vorm en betekenis.

Om te beginnen moeten we een uitstapje maken naar een in de crosslinguïstische semantiek veel bestudeerd fenomeen: zogenaamde incorporerende werkwoorden. In talen zoals het Nederlands moet er voor een enkelvoudig zelfstandig naamwoord eigenlijk altijd een lidwoord staan (er is een handjevol uitzonderingen, in vaste combinaties zoals op school, naar huis en per trein), maar er zijn ook talen waarin het lidwoord onder bepaalde omstandigheden systematisch kan worden weggelaten, bijvoorbeeld bij het lijdend voorwerp van sommige werkwoorden. Deze werkwoorden worden vaak ‘incorporerend’ genoemd omdat zo’n combinatie van werkwoord en lidwoordloos lijdend voorwerp zich meer gedraagt als een complex intransitief werkwoord dan als een transitief werkwoord met een ‘los’ argument. Zo moet het zelfstandig naamwoord pal naast het werkwoord staan, mogen er geen bijvoeglijke naamwoorden of bijzinnen aan gehangen worden, en kun je er in een latere zin niet zomaar met een voornaamwoord naar verwijzen. (In het Nederlands gebruiken we soms combinaties als ‘krantlezen’, die zich grotendeels hetzelfde gedragen, hoewel niet iedereen een zin als ‘Stil, ik moet even krantlezen’ even acceptabel vindt.)

  1. Grieks: Farouse frako ‘hij/zij droeg overjas’
  2. Noors: Han striker genser ‘hij breide trui’
  3. Catalaans: M’acabo de comprar cotxe ‘ik heb voor mezelf auto gekocht’
  4. Roemeens: Ion are copil ‘Ion heeft kind’

(meer voorbeelden? download deze paper van mijn Utrechtse collega’s Bert Le Bruyn, Henriëtte de Swart en Joost Zwarts, die er een heleboel hebben verzameld uit de bestaande taalkundige literatuur.)

Hoewel de bovengenoemde talen niet heel nauw aan elkaar verwant zijn, zijn het opvallend genoeg steeds dezelfde werkwoorden die een lidwoordloos complement toestaan: werkwoorden die een bezitsrelatie uitdrukken (hebben, krijgen, weggeven, verkopen), of een scheppingsproces (maken, breien, boetseren), die aangeven dat het lijdend voorwerp geconsumeerd (eten, drinken, lezen) of gebruikt (dragen, aantrekken, gebruiken) wordt, en zogenaamde ‘intensionele’ werkwoorden als willen en nodig hebben.

Het Nederlands kent dergelijke incorporerende werkwoorden niet: in het Nederlands draagt men een overjas, breit men een trui en koopt men een auto. Maar aan de interpretatie van een zin als ‘Het team draagt een blauw shirt‘ kunnen we tóch zien dat deze klasse werkwoorden ook in het Nederlands speciaal is. Er is namelijk iets geks met deze zin aan de hand: er staat weliswaar dat het team een blauw shirt draagt, maar we interpreteren hem als ‘ieder afzonderlijk lid van het team draagt een blauw shirt’ (een zogenaamde distributieve interpretatie: een eigenschap die wordt toegeschreven aan een groter geheel is eigenlijk een eigenschap van de afzonderlijke delen).

Jarenlang had ik helemaal niet in de gaten dat dit eigenlijk een beetje gek is, omdat ons dagelijks taalgebruik bol staat van dit soort niet-letterlijke interpretaties waarin we een deel gebruiken om naar een geheel te verwijzen en andersom (‘Nederland heeft de voetbalwedstrijd gewonnen’, ‘Er moeten meer handen aan het bed’, ‘ING wil 100 medewerkers ontslaan’, enzovoort) – blijkbaar zijn we er als mensen gewoon heel goed in om dergelijke zinnen op de juiste manier te interpreteren. Maar in zinnen als ‘Het team draagt een blauw shirt’ is de distributieve interpretatie eerder uitzondering dan regel. Vergelijk bijvoorbeeld in het volgende lijstje de A-zinnen met de B-zinnen:

    1. De band heeft een patatje gegeten.
    2. De band heeft een hotelkamer kort en klein geslagen.
    1. De klas boetseert een giraffe.
    2. De klas wast een giraffe.
    1. Het voetbalteam draagt een blauw shirt.
    2. De naaiclub verknipte een blauw shirt.

Qua vorm zien de B-zinnen er precies hetzelfde uit als de A-zinnen, maar de distributieve interpretatie lijkt te ontbreken. Waar zin (5a) prima kan betekenen dat de bandleden elk hun eigen patatje hebben verorberd, zegt zin (5b) dat er één hotelkamer was die ze samen kort en klein hebben geslagen. Zin (6a) kan gebruikt worden in een situatie waarin ieder kind z’n eigen giraffe aan het boetseren is, maar zin (6b) betekent dat de hele klas bezig is dezelfde giraffe te wassen. En waar we uit zin (7a) afleiden dat er sprake is van evenveel shirts als teamleden, lijkt zin (7b) alleen waar te zijn in een situatie waarin de leden van de naaiclub met z’n allen één shirt hebben verknipt.

Je ziet hem waarschijnlijk al aankomen: de zinnen (en alleen de zinnen) die een distributieve interpretatie toestaan bevatten een incorporerend werkwoord. Om te checken of hier sprake was van een geldige generalisatie of alleen maar van toeval heb ik twintig van mijn Facebookvrienden een vragenlijst laten invullen met daarin twintig zinnen als de bovenstaande; de helft van de zinnen bevatte een incorporerend werkwoord, de andere helft een niet-incorporerend werkwoord. Hier is het resultaat:

Een visuele weergave van de oordelen van 20 van mijn Nederlands sprekende Facebookvrienden. Ze kregen zinnen als in (5-7) voorgelegd met de vraag of de zin geïnterpreteerd kon worden als 'elk groepslid z'n eigen X', of alleen als 'de groepsleden samen één en dezelfde X'.

Een visuele weergave van de oordelen van 20 van mijn Nederlands sprekende Facebookvrienden. Ze kregen zinnen als in (5-7) voorgelegd met de vraag of de zin geïnterpreteerd kon worden als ‘elk groepslid z’n eigen X’, of alleen als ‘de groepsleden samen één en dezelfde X’. De onderstreepte werkwoorden zijn incorporerend. Alleen de positie van bezitten is niet zo mooi conformistisch als ik had gehoopt (maar 20 zinnen en 20 proefpersonen is dan ook niet zoveel).

De groep Nederlandse werkwoorden die een distributieve interpretatie toestaan van een zin van de vorm ‘De groep [werkwoord] een [lijdend voorwerp]’, lijkt dus precies overeen te komen met de groep werkwoorden waarbij het lidwoord een kan worden weggelaten in talen als het Noors, Catalaans en Grieks!

Hoe moeten we deze generalisatie interpreteren? Het grappige is dat ik al jaren geleden, op basis van de gangbare semantische theorieën over de bijdrage van een en over de herkomst van distributieve interpretaties, de conclusie had getrokken dat de distributieve interpretatie van een zin als ‘Het team draagt een blauw shirt‘ ontstaat als we de semantische bijdrage van een aan de zin negeren (of eigenlijk: met behulp van een type-verschuiving ongedaan maken). (Er gebeurt in deze Nederlandse zinnen dus precies hetzelfde als in de Engelse zin ‘Anna is a surgeon‘, die ook geïnterpreteerd wordt alsof die a er eigenlijk niet staat.) Het feit dat de distributieve interpretatie alleen mogelijk is met werkwoorden waarbij, in andere talen dan het Nederlands, deze een ook daadwerkelijk kan worden weggelaten, vormt dus een verlate ondersteuning voor mijn oude theorie – en een bewijs dat ogenschijnlijk ongerelateerde talen eigenlijk best veel met elkaar gemeen hebben, als je een beetje verder kijkt dan je neus lang is!

Posted in Language & linguistics | Tagged , | Leave a comment

Boolean operators and programming lessons for babies

r31mrA couple of days ago I was aimlessly clicking around looking at interesting stuff on the Internet when I stumbled across something very rare indeed: a news item that I am qualified to have an opinion on by virtue of having a PhD on the subject. (For those of you just tuning in: I model the mechanisms of natural language interpretation using concepts from logic and set theory.)

I’d be a fool to waste such a unique opportunity.

The article in question reported on a project by computer programmer Eric Redmond, who is using Kickstarter to fund a book that teaches Boolean operators to babies in order to better prepare them for a future in the 21st century. A Boolean algebra is a mathematical structure whose elements are related to each other by three different operations: AND, OR, and NOT, the properties of which are defined by a shortish list of axioms. (What these axioms express, more or less, is that the elements of the algebra are ordered from smallest to greatest in some systematic way.) Many of the mathematical formalisms used in both formal linguistics and computer science are Boolean in nature, such as propositional logic and set theory. We’ll be using the latter here because it gets the basic notions of Boolean algebra across in the most intuitive way. In set-theoretical terms, AND is defined as set intersection, OR as set union, and NOT as the complement:

boolean or-and-not

From left to right: union, intersection, and complement

It is, of course, no coincidence that the names given to the three Boolean operators correspond to the familiar English words andor and not, because intuitively, they seem to mean just that:

From left to right: natural language expressions behaving like Boolean operations

From left to right: natural language expressions behaving like Boolean operations. (If you balk at the first picture – something that’s both fluffy and orange is not ‘fluffy or orange’! – just keep reading.)

Considering this, using ordinary English to teach children the various properties of Boolean algebras (and, in this way, increasing their chances of finding favour in the eyes of our future robot overlords, something any responsible parent should strive for!) seems like a pretty great idea.

But if there’s anything that being a linguist teaches you, it’s that human language is a messy and complex thing. When you look more closely at the behaviour of and and or in natural language, it often doesn’t look all that Boolean. Judging by the various examples from the programming-for-babies book, Eric Redmond did not realise this, since the sentences that are supposed to be teaching Boolean AND and OR to babies actually display several of the finest examples of non-Boolean behaviour. The worst offender is the sentence “The panda is black and white”- entire research papers with “non-Boolean and in the title have been written about sentences just like that, so it is rather unfortunate that it ended up in a book supposedly all about Boolean logic.

Some pictures from Redmond's book (via Daily Dot). See if you can already spot how the first instance of 'and' is quite different from the second one!

Some pictures from Redmond’s book (via Daily Dot). See if you can already spot how the first instance of ‘and’ is quite different from the second one.

But the examples for or are problematic too – in natural conversation, those sentences trigger various non-Boolean inferences, which is not a sign that humans are stupid and incapable of logical thinking, but a process that forms an important part of our linguistic competence and our everyday understanding of how language works. Unless the parent/reader is very careful when it comes to intonation patterns, the book’s text is incompatible with those inferences, potentially interfering with the child’s acquisition of the rules of ordinary English.

So, how are natural language and and or different from their well-behaved mathematical counterparts?

Continue reading

Posted in Language & linguistics | Tagged , | 3 Comments

Semantisch intermezzo 2: Compositionaliteit en verschillen tussen talen

(Tevens een (niet-noodzakelijke) inleiding op de volgende onderzoeksupdate: “Het Nederlands heeft meer gemeen met het Catalaans, Noors en Grieks dan je zou denken”.)

Eén van de vragen die mij voortdurend gesteld worden door mensen die horen wat ik doe voor de kost (naast ‘hoeveel talen spreek je?’) is ‘welke taal bestudeer je dan?’ Meestal beweer ik dan dat het gereken aan betekenis dat ik probeer te modelleren universeel en taaloverstijgend is – betekenis is tenslotte universeel en taaloverstijgend – maar dat ik, omdat ik toch ergens moet beginnen, op basis van vooral het Nederlands en Engels (niet geheel toevallig precies de talen die ik zelf spreek) inzicht in die rekenprocessen probeer te krijgen.

Nu is dat geen onzin, maar de implicatie dat individuele talen alleen maar relevant zijn voor de semantiek omdat betekenis tenslotte een drager nodig heeft – ongeveer zoals een ziekte niet als object op zich te bestuderen valt maar alleen via een patiënt – klopt niet helemaal. De belangrijkste reden hiervoor ligt besloten in het door semantici gekoesterde principe van compositionaliteit. Compositionaliteit betekent dat de betekenis van een taaluiting (een zinsdeel of een zin) op een systematische manier afhangt van (1) de betekenis van de individuele bouwstenen ervan (woorden of morfemen) en (2) de manier waarop de grammatica deze bouwstenen aan elkaar plakt. Neem de zin Piet kust Jan, die betekent dat er een kus-relatie bestaat tussen twee specifieke individuen (Piet en Jan), waarbij Piet de kusser is en Jan de gekuste. Om te kunnen beoordelen of deze zin waar is moeten we weten wat de individuele woorden in deze zin betekenen: we moeten weten wie Jan en Piet zijn en wat kussen is. Maar we moeten ook kennis hebben van de grammatica van het Nederlands, die ons vertelt dat in een simpele stellende zin het werkwoord en lijdend voorwerp volgen op het onderwerp; hierdoor weten we dat het Piet is die Jan kust en niet andersom.

Nu verschillen talen nogal in hun grammatica’s. De basisvolgorde van onderwerp, lijdend voorwerp en werkwoord loopt uiteen. Sommige talen hebben lidwoorden (zoals het Nederlands), andere niet (zoals het Pools). Het Nederlands en Engels hebben allebei lidwoorden, maar in het Nederlands moet je zeggen Anna is chirurg en in het Engels Anna is a surgeon. Het Brits Engels staat enkelvoudige groepswoorden toe met een meervoudig werkwoord (my family are tall), het Amerikaans Engels en Nederlands niet. Talen als het Afrikaans maken helemaal geen onderscheid tussen enkelvoudige en meervoudige werkwoorden. Kortom, talen verschillen niet alleen in de betekenisbouwstenen die ze ter beschikking hebben (wel of geen lidwoorden, bijvoorbeeld), maar ook in de grammaticale regels die bepalen hoe ze uit die bouwstenen langere zinnen kunnen vormen.

Het verenigen van deze observatie met de theoretisch goed te onderbouwen aannames dat (1) de betekenissen die talen kunnen uitdrukken universeel zijn en (2) het ‘berekenen’ van deze betekenissen hand in hand gaat met de opbouw van een zin door de grammatica (compositionaliteit), is dus een niet-triviale puzzel die invloed heeft op onze semantische theorie als geheel. Als een zinsbetekenis op een voorspelbare manier volgt uit een reeks woordbetekenissen plus de grammaticale structuur van de zin – allebei dingen die van taal tot taal verschillen – hoe kunnen zinsbetekenissen, en de combinatorische principes van de semantiek, dan universeel zijn? In hoeverre is het idee van een universele ‘logica’ achter de taal, die ervoor zorgt dat taal betekenis heeft en kan functioneren als uitdrukkingsvorm van het menselijk denken en redeneren, überhaupt houdbaar? Moeten we het principe van compositionaliteit afschaffen (of afzwakken)? Heeft een zin misschien bouwstenen die niet corresponderen met hoorbare woorden, maar wel degelijk bijdragen aan het geheel?

Laten we één zo’n compositionaliteitspuzzel (en een paar mogelijke oplossingen) in wat meer detail bekijken, aan de hand van de zin “Anna is chirurg” (en z’n Engelse equivalent “Anna is a surgeon”). Continue reading

Posted in Language & linguistics | Tagged , , | 1 Comment

A cover story

IMG_2392Our mini-family moved to Arnhem recently, a lovely city near the German border some of whose highlights include the river Rhine, a beautiful zoo and a very well-dressed populace (owing to the presence of one of the country’s biggest art academies). It also happens to be the hometown of a lady named Margriet Smits, who made the collage that’s on the cover of my dissertation – meaning I found a small print version of the collage in a diary published by a local community arts centre (which, in turn, I surreptitiously fished out of someone’s recycling bin a couple of years ago because it looked colourful and unused and might be turned into origami paper, or envelopes, or greeting cards, or other crafty objects I never actually get around to making) and asked them for permission to reprint, because sadly I never managed to track down Margriet herself.

I had Googled her, of course. Googling Margriet every once in a while even became a small hobby of mine, considering the absolute gems that would turn up – even if only half of the results were about her rather than about someone else with the same name, Margriet was clearly one badass (and considerably eccentric) lady, one who hugs trees and dances in leaves (“No, I don’t talk to the trees, we prefer to communicate in silence”), chases off burglars (with a metal rod intended for age-proofing her shower!), does not hesitate to perform mouth-to-beak resuscitation in an attempt to save a dying goose, and recently collected 80,000 bottle caps for charity.

The more I learned about Margriet, the more I wanted her to know about the book on formal semantics that had her art on it. (Well, part of me wanted to. The other part recalled the burglars and the metal rod and wondered whether she would have given her permission, had I managed to track her down.) In the end, I decided I’d just honour her with a blog post – it would make a good story, what with the art found in the trash and the goose CPR.

I wrote a draft for the blog post (roughly, the part you just read).

But as it turned out, the story wasn’t over yet. Last weekend, our local park hosted a small summer festival, which I wouldn’t even have known about had I not leafed, in a moment of boredom, through the neighbourhood newspaper that I’d just found on our doormat. It sounded fun, so I made a mental note of it, which – another unusual coincidence – I actually remembered two weeks later on the festival Sunday itself. Since I had to take Roanne out for a walk anyway, we went to the park to have a look at the festivities. There was a multicultural crowd of mostly thirty- and forty-somethings and small children with painted faces, there were info stands about urban farming initiatives, coffee and pancakes being served from converted Volkswagen vans, a Bollywood dance workshop, and a famous gypsy orchestra. Dancing with great theatrical abandon to the latter’s music was an old lady wearing shapeless fuchsia-red pyjamas to which she had pinned a huge and rather ugly paper butterfly and several paper flowers. She looked vaguely familiar.

I tapped her on the shoulder and asked, breathlessly, “Excuse me, I have a very strange question. Are you Margriet Smits?” I imagine being asked this question by excitedly stuttering strangers must be a regular occurrence for the butterfly lady, since she didn’t bat an eyelash. She was, indeed, a Margriet Smits, and moreover (after some more excited stuttering which included me sort of physically mimicking the cover collage above since I was having somewhat more trouble than usual finding words and turning them into sentences) I managed to confirm that she was the Margriet Smits, the artist of my dissertation’s cover illustration. (Let me stress again that all this took place within three weeks of moving into a new city with 150,000 inhabitants.)

Fortunately, the amazing goose-resuscitating, burglar-beating, tree-hugging, bottle-cap-collecting lady was honoured rather than upset that I’d used her collage without her permission (I even had to recount the entire story again to a homeless-looking friend of hers who lent us his pen so Margriet could write down her address for me, which was slightly awkward because he didn’t seem very interested and kept looking the other way while Margriet admonished him to keep listening and me to keep talking, but fortunately I was still feeling so giddy about the coincidental meeting that I could’ve happily repeated my story to a lamppost.)

So I sent her a copy of my dissertation yesterday, which I hope she’ll like. I’m honoured to have met her and get her post hoc permission for using her art. And I’m thankful for the irrationality of human nature that urges us to attribute meaning to coincidences and derive a giddy joy from randomness, as if there’s no such thing as chance, as if these moments are really gifts, put together with great care and purpose just for us, with a great paper butterfly on top.

Posted in Uncategorized | Leave a comment

Friday, March 13th: defense & workshop

No matter how superstitious you might be, this programme surely contains enough reasons to get out of bed this Friday the 13th anyway!

Workshop on the occasion of Hanna’s defense

Date & time: March 13th, 2015, 9:00-12:30
Location: Kromme Nieuwegracht 80, room 1.06 (Ravesteijnzaal)

Programme:

9:00-9:15 coffee/tea
9:15-9:30 opening (Yoad Winter)
9:30-10:10 Thomas Ede Zimmermann (Johann Wolfgang Goethe University Frankfurt am Main): Fregean varieties of compositionality
10:10-10:50 Bart Geurts (Radboud University Nijmegen): Pragmatics and processing
10:50-11:10 coffee/tea
11:10-11:50 Jakub Dotlacil (Groningen University): Processing pluralities: syntax and the lexicon
11:50 -12:30 Hanna de Vries (Utrecht University): Animacy and semantic number: three case studies

Abstracts: (below the cut) Continue reading

Posted in Language & linguistics | Tagged , | Leave a comment

The semantics of group nouns, part 2: British English

…in which I try to convince you that I was actually wrong in convincing you that groups are atomic. Yeah, sorry about that.

When I first conceived the idea of writing about my research in a way understandable to non-semanticists, I imagined I’d write an attractive new update every two months or so, sharing all my interesting recent ideas in fascinating ways and making everyone who read it wish they had my job. Then reality happened, in which very few of my interesting ideas still make sense after a month or so, and I’m usually too lazy to write blog posts about them anyway (I already wrote a book about them, which was exhausting enough as it is).

But with said book as good as finished, and some extra time for frivolities on the side due to several well-timed weeks of maternity leave (which I have mostly been spending on the couch, tied down by little Roanne’s completely unpredictable feeding and crying schedules), I can finally give you the promised update on British English. Enjoy!

In Part 1 of this post, I pointed out that the two sentences in (1) and (2) have different meanings in spite of appearing very similar:

  1. The linguists are walking or cycling.
  2. The group (of linguists) is walking or cycling.

Imagine a situation in which half of the linguists are walking while the other half are cycling. Most speakers of English would say that sentence (1) is true in this situation, but sentence (2) is false: sentence (2) is only true if either all the linguists in the group are walking, or they are all cycling. I explained this by claiming that the group of linguists refers to an atomic entity, which means that the formal semantics cannot access the ‘parts’ of the group when calculating a meaning for (2); as a consequence, anything that the sentence says about the group of linguists must be true of the entire group. In (1), on the other hand, the plural the linguists refers to a set of entities. A set has parts that are accessible to our formal interpretation mechanisms, which means that it can be ‘taken apart’ by a semantic mechanism known as quantification in order to say something about the individual members of the set – namely, that each of them is walking or cycling.

So, the contrast between (1) and (2) confirms that plurals like the linguists and groups like the group of linguists refer to a different kind of semantic object, despite being intuitively quite similar in meaning. But does it really? One might point out that the grammatical number of the subject is not the only variable distinguishing (1) from (2): another difference is the fact that the predicate is plural in (1), but singular in (2). Could it be possible that it is this distinction, rather than the plural/group contrast, that is actually responsible for the meaning difference?

This may seem like a question that is impossible to answer, because English usually requires the subject and the verb to agree in grammatical number, which makes it hard to look at the role of subject number and predicate number separately. Fortunately, there is an exception to this: in British English, singular human group NPs like the group of linguists are allowed to appear with a plural predicate, as in (3):

  1. The group of linguists are walking or cycling.

And sure enough, once you replace the singular verb with a plural verb in this way, the sentence becomes identical in meaning to the one in (1) (I checked this with a whole bunch of British English speakers). In other words, if the verb is singular, the group subject is treated as a single atomic entity, but if the verb is plural, that same subject is treated as if it were a ‘real’ plural, referring to a set of entities.

So, what does a noun phrase like the group of linguists (or the team, the class, the choir, my family, etc) refer to? When the same expression can have different interpretations depending on the formal context (I am not talking about words with different meanings – for example, the word nail as used by either a carpenter or a manicurist, which are essentially just two different words that happen to sound the same – but about the same word playing different ‘mathematical roles’ in the derivation of the meaning of the sentence as a whole. In part 1 of this post, for example, I mentioned the fact that the adjective huge can be applied to a person (as in “John is huge”), but it can also combine with a noun like idiot to form the meaning ‘someone with a huge degree of idiocy’. It’s clearly the same word, but with different semantic functions depending on the words that surround it.), semanticists like to treat one of these meanings as ‘basic’, and the other(s) as ‘derived’. If we follow this line of thinking, we could either say that the atomic interpretation of group NPs is basic and the set interpretation is derived (in other words, group NPs refer to atomic entities by default unless something in the context actively turns them into set-referring expressions), or, conversely, that the set interpretation is basic and the atomic interpretation derived. Concretely:

  1. Possibility 1: a group NP refers to an atomic entity, but if it appears with a plural verb, this atom is ‘broken up’ into a set of entities.
  2. Possibility 2: a group NP refers to a set of entities, but if it appears with a singular verb, this set is ‘fused’ into an atom.

In my dissertation, I take the second approach, because I think it is much prettier (my supervisor won’t allow me to use those words in my academic writing, but fortunately this is my personal blog where I’m completely free to rank formal theories according to their prettiness). One reason for this is that the story above does not apply to all collective expressions in British English, but only to those that refer to human (or at least animate) groups. Inanimate collectives like the stack of plates or the list cannot appear with a plural predicate and only ever receive an atomic interpretation. Possibility 2 provides us with an easy way to implement this difference: we simply treat inanimates like stack or list on a par with ordinary entity-referring nouns like cat or table – in other words, by treating them as a different kind of set-theoretical object than animate set-referring nouns like family or team. Because our semantic toolbox, under Possibility 2, lacks the ability to break up atomic entities, stack and list and cat can only refer to atoms and are not expected to trigger plural agreement. On the other hand, Possibility 1 offers us no simple way to distinguish inanimate from animate collectives, since they all refer to the same kind of set-theoretical object (an atomic entity). In order to guarantee formally that the latter can occur with a plural predicate and be interpreted as a set while the former cannot, we would have to build an entire new formal layer on top of our set-theoretical system, where animacy is somehow formally coded in such a way that it determines which atoms can be broken up into sets and which cannot. This is not impossible, of course, but it would require a lot of extra work that is not needed if we adopt Possibility 2.

So we end up with a formal theory according to which animate group NPs (like my family) are analysed as sets, while inanimate group NPs (like the stack of plates) are analysed as atoms. Of course, now we want to know why animacy seems to correlate so neatly with an NP’s ability to refer to a set and to occur with a plural VP. If all goes according to plan, I will address this question in the third and final research update!

Posted in Language & linguistics | Tagged , | 1 Comment

LUSH / Amsterdam Colloquium

Below you will find (1) the slides for my recent LUSH talk in Leiden, and (2) slides and extended abstract for my presentation at last month’s Amsterdam Colloquium. (I decided, probably unwisely, to keep my AmCol presentation sober and professional, instead of recycling some of the much more entertaining illustrated slides I created for my colleagues a while before.)

kate and william

William’s terminology is a bit sloppy – he means to say either “group nouns range over sets” or “group NPs denote sets”.

– “Number in morphosyntax and semantics: the case of British English group nouns”. Leiden Utrecht Semantics Happenings (LUSH), Leiden University, November 20, 2013. [slides]  

– “Distributivity and agreement: new evidence for groups as sets”. Amsterdam Colloquium, University of Amsterdam, December 18-20, 2013. [slides] [pre-proceedings]

Posted in Language & linguistics | Tagged , , | Leave a comment