‘Incorporerende’ werkwoorden: het Nederlands heeft meer gemeen met het Catalaans, Noors en Grieks dan je zou denken

(Voor een algemene inleiding op deze post (over de Grote Vragen waar onderzoek als dit antwoord op probeert te geven) lees je eerst het Semantisch Intermezzo 2.)

“Het lijkt me superleuk om de wetenschap in te gaan, maar ik wil wel breed onderlegd blijven hoor, voor je het weet ben je twintig jaar van je leven alleen maar bezig met negatie in het Yoruba ofzo HA HA stel je voor!” – Hanna, circa 2004

Was ik niet aandoenlijk? Inmiddels ben ik al vijf jaar bezig met onderzoek naar de zin ‘Het team draagt een blauw shirt’ en hij komt me nog steeds maar een heel klein beetje de strot uit. (Ik overdrijf natuurlijk, mijn onderzoek gaat heus wel over meer dingen, bijvoorbeeld varianten van diezelfde zin in het Brits Engels. Ik wil tenslotte breed onderlegd blijven. Hoor.)

Waarom is die zin zo vreselijk interessant? Mijn meest recente antwoord: omdat we hem kunnen gebruiken om aan te tonen dat talen die zich ogenschijnlijk verschillend gedragen, op een dieper niveau toch onverwachte overeenkomsten vertonen, waardoor-ie een waardevol inzicht biedt in de relatie tussen vorm en betekenis.

Om te beginnen moeten we een uitstapje maken naar een in de crosslinguïstische semantiek veel bestudeerd fenomeen: zogenaamde incorporerende werkwoorden. In talen zoals het Nederlands moet er voor een enkelvoudig zelfstandig naamwoord eigenlijk altijd een lidwoord staan (er is een handjevol uitzonderingen, in vaste combinaties zoals op school, naar huis en per trein), maar er zijn ook talen waarin het lidwoord onder bepaalde omstandigheden systematisch kan worden weggelaten, bijvoorbeeld bij het lijdend voorwerp van sommige werkwoorden. Deze werkwoorden worden vaak ‘incorporerend’ genoemd omdat zo’n combinatie van werkwoord en lidwoordloos lijdend voorwerp zich meer gedraagt als een complex intransitief werkwoord dan als een transitief werkwoord met een ‘los’ argument. Zo moet het zelfstandig naamwoord pal naast het werkwoord staan, mogen er geen bijvoeglijke naamwoorden of bijzinnen aan gehangen worden, en kun je er in een latere zin niet zomaar met een voornaamwoord naar verwijzen. (In het Nederlands gebruiken we soms combinaties als ‘krantlezen’, die zich grotendeels hetzelfde gedragen, hoewel niet iedereen een zin als ‘Stil, ik moet even krantlezen’ even acceptabel vindt.)

  1. Grieks: Farouse frako ‘hij/zij droeg overjas’
  2. Noors: Han striker genser ‘hij breide trui’
  3. Catalaans: M’acabo de comprar cotxe ‘ik heb voor mezelf auto gekocht’
  4. Roemeens: Ion are copil ‘Ion heeft kind’

(meer voorbeelden? download deze paper van mijn Utrechtse collega’s Bert Le Bruyn, Henriëtte de Swart en Joost Zwarts, die er een heleboel hebben verzameld uit de bestaande taalkundige literatuur.)

Hoewel de bovengenoemde talen niet heel nauw aan elkaar verwant zijn, zijn het opvallend genoeg steeds dezelfde werkwoorden die een lidwoordloos complement toestaan: werkwoorden die een bezitsrelatie uitdrukken (hebben, krijgen, weggeven, verkopen), of een scheppingsproces (maken, breien, boetseren), die aangeven dat het lijdend voorwerp geconsumeerd (eten, drinken, lezen) of gebruikt (dragen, aantrekken, gebruiken) wordt, en zogenaamde ‘intensionele’ werkwoorden als willen en nodig hebben.

Het Nederlands kent dergelijke incorporerende werkwoorden niet: in het Nederlands draagt men een overjas, breit men een trui en koopt men een auto. Maar aan de interpretatie van een zin als ‘Het team draagt een blauw shirt‘ kunnen we tóch zien dat deze klasse werkwoorden ook in het Nederlands speciaal is. Er is namelijk iets geks met deze zin aan de hand: er staat weliswaar dat het team een blauw shirt draagt, maar we interpreteren hem als ‘ieder afzonderlijk lid van het team draagt een blauw shirt’ (een zogenaamde distributieve interpretatie: een eigenschap die wordt toegeschreven aan een groter geheel is eigenlijk een eigenschap van de afzonderlijke delen).

Jarenlang had ik helemaal niet in de gaten dat dit eigenlijk een beetje gek is, omdat ons dagelijks taalgebruik bol staat van dit soort niet-letterlijke interpretaties waarin we een deel gebruiken om naar een geheel te verwijzen en andersom (‘Nederland heeft de voetbalwedstrijd gewonnen’, ‘Er moeten meer handen aan het bed’, ‘ING wil 100 medewerkers ontslaan’, enzovoort) – blijkbaar zijn we er als mensen gewoon heel goed in om dergelijke zinnen op de juiste manier te interpreteren. Maar in zinnen als ‘Het team draagt een blauw shirt’ is de distributieve interpretatie eerder uitzondering dan regel. Vergelijk bijvoorbeeld in het volgende lijstje de A-zinnen met de B-zinnen:

    1. De band heeft een patatje gegeten.
    2. De band heeft een hotelkamer kort en klein geslagen.
    1. De klas boetseert een giraffe.
    2. De klas wast een giraffe.
    1. Het voetbalteam draagt een blauw shirt.
    2. De naaiclub verknipte een blauw shirt.

Qua vorm zien de B-zinnen er precies hetzelfde uit als de A-zinnen, maar de distributieve interpretatie lijkt te ontbreken. Waar zin (5a) prima kan betekenen dat de bandleden elk hun eigen patatje hebben verorberd, zegt zin (5b) dat er één hotelkamer was die ze samen kort en klein hebben geslagen. Zin (6a) kan gebruikt worden in een situatie waarin ieder kind z’n eigen giraffe aan het boetseren is, maar zin (6b) betekent dat de hele klas bezig is dezelfde giraffe te wassen. En waar we uit zin (7a) afleiden dat er sprake is van evenveel shirts als teamleden, lijkt zin (7b) alleen waar te zijn in een situatie waarin de leden van de naaiclub met z’n allen één shirt hebben verknipt.

Je ziet hem waarschijnlijk al aankomen: de zinnen (en alleen de zinnen) die een distributieve interpretatie toestaan bevatten een incorporerend werkwoord. Om te checken of hier sprake was van een geldige generalisatie of alleen maar van toeval heb ik twintig van mijn Facebookvrienden een vragenlijst laten invullen met daarin twintig zinnen als de bovenstaande; de helft van de zinnen bevatte een incorporerend werkwoord, de andere helft een niet-incorporerend werkwoord. Hier is het resultaat:

Een visuele weergave van de oordelen van 20 van mijn Nederlands sprekende Facebookvrienden. Ze kregen zinnen als in (5-7) voorgelegd met de vraag of de zin geïnterpreteerd kon worden als 'elk groepslid z'n eigen X', of alleen als 'de groepsleden samen één en dezelfde X'.

Een visuele weergave van de oordelen van 20 van mijn Nederlands sprekende Facebookvrienden. Ze kregen zinnen als in (5-7) voorgelegd met de vraag of de zin geïnterpreteerd kon worden als ‘elk groepslid z’n eigen X’, of alleen als ‘de groepsleden samen één en dezelfde X’. De onderstreepte werkwoorden zijn incorporerend. Alleen de positie van bezitten is niet zo mooi conformistisch als ik had gehoopt (maar 20 zinnen en 20 proefpersonen is dan ook niet zoveel).

De groep Nederlandse werkwoorden die een distributieve interpretatie toestaan van een zin van de vorm ‘De groep [werkwoord] een [lijdend voorwerp]’, lijkt dus precies overeen te komen met de groep werkwoorden waarbij het lidwoord een kan worden weggelaten in talen als het Noors, Catalaans en Grieks!

Hoe moeten we deze generalisatie interpreteren? Het grappige is dat ik al jaren geleden, op basis van de gangbare semantische theorieën over de bijdrage van een en over de herkomst van distributieve interpretaties, de conclusie had getrokken dat de distributieve interpretatie van een zin als ‘Het team draagt een blauw shirt‘ ontstaat als we de semantische bijdrage van een aan de zin negeren (of eigenlijk: met behulp van een type-verschuiving ongedaan maken). (Er gebeurt in deze Nederlandse zinnen dus precies hetzelfde als in de Engelse zin ‘Anna is a surgeon‘, die ook geïnterpreteerd wordt alsof die a er eigenlijk niet staat.) Het feit dat de distributieve interpretatie alleen mogelijk is met werkwoorden waarbij, in andere talen dan het Nederlands, deze een ook daadwerkelijk kan worden weggelaten, vormt dus een verlate ondersteuning voor mijn oude theorie – en een bewijs dat ogenschijnlijk ongerelateerde talen eigenlijk best veel met elkaar gemeen hebben, als je een beetje verder kijkt dan je neus lang is!

About hannadevries

University lecturer (in linguistics/artificial intelligence) with occasional opinions on religion & social justice-related stuff.
This entry was posted in Language & linguistics and tagged , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s