Semantisch intermezzo 2: Compositionaliteit en verschillen tussen talen

(Tevens een (niet-noodzakelijke) inleiding op de volgende onderzoeksupdate: “Het Nederlands heeft meer gemeen met het Catalaans, Noors en Grieks dan je zou denken”.)

Eén van de vragen die mij voortdurend gesteld worden door mensen die horen wat ik doe voor de kost (naast ‘hoeveel talen spreek je?’) is ‘welke taal bestudeer je dan?’ Meestal beweer ik dan dat het gereken aan betekenis dat ik probeer te modelleren universeel en taaloverstijgend is – betekenis is tenslotte universeel en taaloverstijgend – maar dat ik, omdat ik toch ergens moet beginnen, op basis van vooral het Nederlands en Engels (niet geheel toevallig precies de talen die ik zelf spreek) inzicht in die rekenprocessen probeer te krijgen.

Nu is dat geen onzin, maar de implicatie dat individuele talen alleen maar relevant zijn voor de semantiek omdat betekenis tenslotte een drager nodig heeft – ongeveer zoals een ziekte niet als object op zich te bestuderen valt maar alleen via een patiënt – klopt niet helemaal. De belangrijkste reden hiervoor ligt besloten in het door semantici gekoesterde principe van compositionaliteit. Compositionaliteit betekent dat de betekenis van een taaluiting (een zinsdeel of een zin) op een systematische manier afhangt van (1) de betekenis van de individuele bouwstenen ervan (woorden of morfemen) en (2) de manier waarop de grammatica deze bouwstenen aan elkaar plakt. Neem de zin Piet kust Jan, die betekent dat er een kus-relatie bestaat tussen twee specifieke individuen (Piet en Jan), waarbij Piet de kusser is en Jan de gekuste. Om te kunnen beoordelen of deze zin waar is moeten we weten wat de individuele woorden in deze zin betekenen: we moeten weten wie Jan en Piet zijn en wat kussen is. Maar we moeten ook kennis hebben van de grammatica van het Nederlands, die ons vertelt dat in een simpele stellende zin het werkwoord en lijdend voorwerp volgen op het onderwerp; hierdoor weten we dat het Piet is die Jan kust en niet andersom.

Nu verschillen talen nogal in hun grammatica’s. De basisvolgorde van onderwerp, lijdend voorwerp en werkwoord loopt uiteen. Sommige talen hebben lidwoorden (zoals het Nederlands), andere niet (zoals het Pools). Het Nederlands en Engels hebben allebei lidwoorden, maar in het Nederlands moet je zeggen Anna is chirurg en in het Engels Anna is a surgeon. Het Brits Engels staat enkelvoudige groepswoorden toe met een meervoudig werkwoord (my family are tall), het Amerikaans Engels en Nederlands niet. Talen als het Afrikaans maken helemaal geen onderscheid tussen enkelvoudige en meervoudige werkwoorden. Kortom, talen verschillen niet alleen in de betekenisbouwstenen die ze ter beschikking hebben (wel of geen lidwoorden, bijvoorbeeld), maar ook in de grammaticale regels die bepalen hoe ze uit die bouwstenen langere zinnen kunnen vormen.

Het verenigen van deze observatie met de theoretisch goed te onderbouwen aannames dat (1) de betekenissen die talen kunnen uitdrukken universeel zijn en (2) het ‘berekenen’ van deze betekenissen hand in hand gaat met de opbouw van een zin door de grammatica (compositionaliteit), is dus een niet-triviale puzzel die invloed heeft op onze semantische theorie als geheel. Als een zinsbetekenis op een voorspelbare manier volgt uit een reeks woordbetekenissen plus de grammaticale structuur van de zin – allebei dingen die van taal tot taal verschillen – hoe kunnen zinsbetekenissen, en de combinatorische principes van de semantiek, dan universeel zijn? In hoeverre is het idee van een universele ‘logica’ achter de taal, die ervoor zorgt dat taal betekenis heeft en kan functioneren als uitdrukkingsvorm van het menselijk denken en redeneren, überhaupt houdbaar? Moeten we het principe van compositionaliteit afschaffen (of afzwakken)? Heeft een zin misschien bouwstenen die niet corresponderen met hoorbare woorden, maar wel degelijk bijdragen aan het geheel?

Laten we één zo’n compositionaliteitspuzzel (en een paar mogelijke oplossingen) in wat meer detail bekijken, aan de hand van de zin “Anna is chirurg” (en z’n Engelse equivalent “Anna is a surgeon”). In de formeel-semantische benadering van betekenis verwijst elk stukje zin naar een bepaald soort verzamelingtheoretisch object (een entiteit, een verzameling entiteiten, een verzameling verzamelingen, een relatie tussen verzamelingen, enzovoort); de wiskundige eigenschappen van deze objecten bepalen hoe ze met elkaar kunnen combineren. Is de zin welgevormd, dan levert deze combinatie van elementen de zogenaamde waarheidscondities van de zin op: de omstandigheden waaronder de zin waar is. Met andere woorden, de wiskundige combinatoriek achter de zin neemt woordbetekenissen en bouwt daaruit een soort machientje met één simpele functie: voer een bepaalde situatie of stand van zaken aan het machientje, en het zal je vertellen of de zin in kwestie in die situatie waar of onwaar is.

In het geval van “Anna is chirurg” zit het machientje zo eenvoudig in elkaar dat je er eigenlijk niet eens kennis van de verzamelingenleer voor nodig hebt. Het woord Anna verwijst naar een bepaalde unieke entiteit (laten we haar Anna noemen). Het woord chirurg verwijst naar de verzameling van alle chirurgen. Het woord is verwijst naar een ‘lidmaatschapsfunctie’ die, gegeven een entiteit en een verzameling, ‘ja’ zegt als de entiteit lid is van de verzameling en ‘nee’ als dit niet het geval is. Plug de betekenis van Anna en de betekenis van chirurg in de betekenis van is en je hebt dus een machientje gebouwd dat ‘ja’ zegt als entiteit Anna lid is van de verzameling chirurgen en ‘nee’ als dat niet zo is.

Maar wat moeten we nu met de zin “Anna is a surgeon”? Deze zin drukt precies dezelfde waarheidscondities uit – als de zin “Anna is chirurg” waar is is de zin “Anna is a surgeon” dat ook, en andersom. Maar zoals we gezien hebben kunnen we deze waarheidscondities berekenen zonder de bijdrage van het lidwoord a, wat de vraag opwerpt wat dat woord daar eigenlijk doet. Vasthouden aan het principe van compositionaliteit geeft ons 3 opties:

Optie 1: surgeon heeft niet dezelfde betekenis als chirurg – het verwijst niet naar de verzameling chirurgen maar naar iets anders. Dit is geen wenselijke analyse. Niet alleen is het moeilijk om te bedenken wat dat ‘iets anders’ dan zou kunnen zijn, het gedrag van surgeon in andere Engelse zinnen is precies hetzelfde als het gedrag van chirurg in het Nederlands (“I saw a/the/every surgeon” / “Ik zag een/de/elke chirurg”; “two surgeons” / “twee chirurgen”; “A surgeon should have a steady hand” / “Een chirurg moet een vaste hand hebben”, enzovoort). Een dergelijke benadering creëert meer problemen dan hij oplost: het wordt bijvoorbeeld onmogelijk om een semantische theorie van lidwoorden of meervoud te bedenken die opgaat voor zowel het Nederlands als het Engels, ondanks de overduidelijke overeenkomsten op dit gebied.

Optie 2: a doet helemaal niks – het is een loos woord, een woord zonder betekenis. Van sommige woorden wordt over het algemeen aangenomen dat ze geen bijdrage leveren aan de betekenis maar alleen een grammaticale rol vervullen. We noemen zo’n woord een expletief, en bekende voorbeelden zijn het in “Het is gevaarlijk om hier te zwemmen” en er in “Er liep een kat over het dak” (vergelijk “Hier zwemmen is gevaarlijk” en “Een kat liep over het dak”). Als we a willen analyseren als expletief moeten we nog wel uitleggen hoe het komt dat het als twee druppels water lijkt op het onbepaalde lidwoord a dat wel degelijk een aanwijsbare bijdrage levert aan de betekenis (a tree in “There’s a tree in the garden” verwijst naar een individuele boom, niet naar de verzameling van alle bomen). Een complicatie voor een dergelijke analyse is het feit dat ook het Nederlands zich soms gedraagt als het Engels: “Anna is chirurg” maar “Anna is een cavia”. Dit lijkt niet op het gedrag van expletieven: het is bijvoorbeeld onmogelijk om een variant op “Het is gevaarlijk/verboden/superleuk/een lokaal gebruik/… om hier te zwemmen” te bedenken waarin het ineens mag worden weggelaten.

Optie 3: er zijn onzichtbare krachten aan het werk. Deze optie gaat ervan uit dat a in het Engels precies dezelfde betekenis heeft als een in het Nederlands, maar dat de semantiek de beschikking heeft over onzichtbare mechanismen om het ene soort verzamelingtheoretische object in het andere om te zetten. Zo’n mechanisme is eigenlijk het omgekeerde van een expletief: niet een woord zonder betekenis, maar een betekenis zonder woord. Zo’n betekenis-zonder-woord noemen we een ‘type-verschuiving’ (typeshift), en het biedt een taal de mogelijkheid om meer betekenissen te berekenen dan alleen op basis van de beschikbare woorden mogelijk zou zijn; typeverschuivingen kunnen bijvoorbeeld de rol van lidwoorden vervullen in talen die geen lidwoorden hebben. Typeverschuivingen moeten aan bepaalde voorwaarden voldoen: zo gaan de meeste semantici ervan uit dat talen een betekenis-zonder-woord alleen mogen gebruiken als ze niet de beschikking hebben over een equivalente betekenis-mét-woord. Het postuleren van typeverschuivingen lijkt misschien wat ad hoc, maar in feite is het gewoon een manier om de flexibiliteit van natuurlijke talen te formaliseren: omdat er zoveel verschillende factoren zijn die ons helpen bij de interpretatie van taal, kunnen we het ons veroorloven om hetzelfde stukje taal meerdere rollen te laten spelen. De gangbare analyse van “Anna is a surgeon” maakt gebruik van zo’n typeverschuiving, die het object waarnaar a surgeon verwijst (een verzameling van verzamelingen – meer (Engelse) uitleg op deze Wikipediapagina en in het vorige semantische intermezzo) neemt en hem ‘ombouwt’ tot een object van het juiste type, een verzameling die vervolgens compositioneel kan combineren met de lidmaatschapsfunctie IS en de entiteit Anna tot het betekenismachientje dat we hierboven al aan het werk hebben gezien.

Typeverschuivingen zijn cruciaal in de ‘crosslinguïstische’ (taalvergelijkende) semantiek, omdat ze ons in staat stellen om compositionele modellen van betekenis te bouwen die geworteld zijn in de grote overeenkomsten tussen talen, maar ook kunnen omgaan met onderlinge grammaticale verschillen. In de volgende post zullen we hiervan een voorbeeld zien, dat te maken heeft met het contrast tussen de volgende Nederlandse zinnen:

  1. Groep 8 heeft gisteren een giraffe geboetseerd.
  2. Groep 8 heeft gisteren een giraffe geknuffeld.

Zin (1) kan betekenen dat ieder kind z’n eigen giraffe geboetseerd heeft; we kunnen hem dus prima gebruiken in een situatie waarin sprake was van 30 verschillende geboetseerde giraffes. Maar datzelfde geldt niet voor zin (2): deze zin gaat echt alleen maar over een situatie waarin één en dezelfde giraffe werd geknuffeld door alle 30 kinderen. Hoe kan dit? En wat is het verband met het feit dat sommige talen (zoals het Noors en het Spaans) het equivalent van een kunnen weglaten in zin (1), maar niet in zin (2)? Stay tuned!

About hannadevries

University lecturer (in linguistics/artificial intelligence) with occasional opinions on religion & social justice-related stuff.
This entry was posted in Language & linguistics and tagged , , . Bookmark the permalink.

One Response to Semantisch intermezzo 2: Compositionaliteit en verschillen tussen talen

  1. Pingback: ‘Incorporerende’ werkwoorden: het Nederlands heeft meer gemeen met het Catalaans, Noors en Grieks dan je zou denken | hanna de vries

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s