Hun hebben geen vierhonderd woorden voor sneeuw, of: het veelbewogen leven van een taalkundige

[juni 2012, voor het buurtkrantje van GW Nieuwegein]

Het is niet altijd fijn om taalkundige te zijn. Niet alleen is het moeilijk aan je buurman uit te leggen dat zijn zuurverdiende belastingcenten opgaan aan fundamenteel oover100wordsnderzoek naar de formele analyse van betekenis (‘eh, een soort combinatie van taalkunde en wiskunde, zeg maar’), je bent ook altijd degene die op feestjes de conversatie bederft doordat je je toch enigszins verplicht voelt erop te wijzen dat Eskimo’s geen vierhonderd woorden voor sneeuw hebben, het Nederlands niet verloedert en er nooit een gorilla is geweest die Engels heeft geleerd. Ook is het Chinees (of welke taal dan ook) niet moeilijker te leren dan het Nederlands (of welke taal dan ook) – praat welke taal dan ook tegen een baby en hij heeft hem zo’n beetje rond z’n vierde onder de knie. Trouwens, er is niks mis met hun hebben of groter als mij.*

Mensen geloven een hoop onzin over taal, en dat komt natuurlijk doordat we er in zekere zin allemaal verstand van hebben. We spreken**er tenslotte allemaal één en doen dat over het algemeen samenhangend en grammaticaal correct. Maar wie ooit geprobeerd heeft om aan een buitenlandse vriend uit te leggen wanneer je in het Nederlands het woordje er gebruikt en wanneer niet, of waarom in Nederlandse hoofdzinnen het werkwoord onmiddellijk volgt op het onderwerp terwijl het in bijzinnen helemaal achteraan staat, weet dat een taal spreken lang niet hetzelfde is als begrijpen volgens welke regels taal werkt.

Die ‘regels’ zijn nou precies wat een taalkundige bestudeert, en ze hebben helemaal niks te maken met de prescriptieve grammatica van het Algemeen Beschaafd Nederlands die je op school leert. Die grammatica is bedacht door een commissie van hoge piefen die menen dat ze beter Nederlands spreken dan jij en wordt je expliciet aangeleerd. Regels als ‘hun hebben is fout’ en ‘het is groter dan ik, niet groter als mij‘ zijn prescriptief en ze bestaan precies omdat zoveel sprekers van het Nederlands van nature de neiging hebben om het ‘fout’ te doen. Taalkundigen houden zich bezig met descriptieve regels: ze beschrijven de taal zoals-ie door mensen gesproken wordt, niet zoals sommigen menen dat-ie gesproken zou moeten worden. Een descriptieve grammatica is een model van de onbewuste grammatica die we in ons hoofd hebben en die ervoor zorgt dat we weten dat we het woordje er mogen weglaten in ‘op straat werd er gedanst’, maar niet in ‘er werd op straat gedanst’ – dit doet elke moedertaalspreker van het Nederlands automatisch goed, ookal heeft niemand hem ooit een regel voor het correcte gebruik van er uitgelegd. En dat is dus pas echt interessant.

Net zoals je de regels kunt onderzoeken die ten grondslag liggen aan de vorm van de taal, kun je ook de betekenis van taal in zulke descriptieve regels vatten. Een belangrijk uitgangspunt in de formele semantiek (mijn vakgebied) is het idee dat de betekenis van een zin systematisch afhangt van (1) de betekenissen van de delen van de zin, en (2) de manier waarop die door de grammatica aan elkaar worden geplakt, en we gebruiken wiskundige ‘gereedschappen’ als predikaatlogica en verzamelingenleer om te beschrijven wat er bij dat aan elkaar plakken van verschillende betekenissen precies gebeurt met de betekenis van het geheel.*** Jullie snappen natuurlijk dat dit Mateloos Fascinerend is. En zo niet dan toch.

Terug naar die Eskimo’s en hun vierhonderd woorden voor sneeuw. Omdat ik niemands cocktailfeestje graag bederf, heb ik speciaal voor jullie een lijstje opgesteld van opmerkelijke taalfeitjes die wel waar zijn. Steel de show!

  • Een volwassene zal zeggen dat de zin ‘Enkele olifanten hebben een slurf’ onwaar is. Voor een kind (tot een jaar of acht) is er niks mis met deze uitspraak. Is het kind dom? Weet het kind soms niet dat alle olifanten een slurf hebben? Natuurlijk weet het kind dat – ze is alleen net iets beter in Arestoteliaanse logica dan haar ouders en snapt dus dat als alle olifanten een slurf hebben, het ook waar moet zijn dat enkele olifanten een slurf hebben. Het verschil tussen kinderen en volwassenen is dat kinderen nog niet zo goed kunnen redeneren over wat er in andermans hoofd gebeurt. Stel, je wilt een uitspraak doen over olifanten en slurven en je bent op de hoogte van het feit dat alle olifanten een slurf hebben. Zeg je dan ‘Enkele olifanten hebben een slurf’? Nee (ook al is het logisch gezien waar), want je kunt iets veel informatievers zeggen, namelijk ‘Alle olifanten hebben een slurf’. Iemand die ‘Enkele olifanten hebben een slurf’ zegt, zal dus wel denken dat niet alle olifanten een slurf hebben. Voor een volwassene, die kan redeneren over de beweegredenen van zijn gesprekspartner om formulering A te gebruiken en niet formulering B, krijgt het woordje enkele zo de uitgebreidere betekenis enkele, maar niet alle. Voor een kind, dat puur naar de logische betekenis van het woordje enkele kijkt, is het prima mogelijk dat de uitspraken ‘Alle olifanten hebben een slurf’ en ‘Enkele olifanten hebben een slurf’ tegelijk waar zijn.
  • Het Tzeltal (een Maya-taal) heeft geen woorden voor ‘links’ en ‘rechts’ – woorden die een locatie aanduiden relatief aan de positie van de spreker – maar alleen absolute locatie-aanduidingen, zoals ‘noord’ en ‘zuid’. Levinson (1996) liet sprekers van het Nederlands en het Tzeltal een rijtje van drie speelgoedbeesten zien (A-B-C), draaide de proefpersonen vervolgens 180 graden, gaf ze de speelgoedbeesten en vroeg ze het rijtje van daarnet te reproduceren. De sprekers van het Nederlands maakten A-B-C-rijtjes (het beest dat zojuist links had gestaan nu weer links, enzovoort), maar de sprekers van het Tzeltal maakten C-B-A-rijtjes – het beest dat zojuist het meest westelijk had gestaan nu weer westelijk, enzovoort. De (nog altijd controversiële) conclusie van dit beroemde onderzoek is dat de taal die we spreken invloed heeft op onze andere cognitieve functies, een oud idee dat bekend staat als de Sapir-Whorf hypothese.
  • Het Nederlands deelt zelfstandige naamwoorden op een tamelijk willekeurige manier in als mannelijk, vrouwelijk of onzijdig, wat niks te maken heeft met biologische sekse maar aangeeft hoe we deze woorden vervoegen. Heel veel talen kennen zo’n klassificatiesysteem, maar waar deze klassen uit bestaan loopt nogal uiteen – en geeft stof tot nadenken. Het Dyirbal, een aboriginal-taal, heeft een apart grammaticaal geslacht voor naamwoorden die verwijzen naar vuur, gevaarlijke dingen, vogelbekdieren… en vrouwen.

————————————————————

* Om maar te zwijgen van de onvermijdelijke vraag ‘Je bent taalkundige? Hoeveel talen spreek je dan?’ en de teleurstelling die onvermijdelijk volgt op het antwoord (‘Twee’). Een mede-taalkundige suggereerde ooit ‘Je bent dokter? Hoeveel ziektes heb je dan?’ als gepaste (maar helaas niet zo breed inzetbare) wedervraag.

** Of gebaren. Gebarentalen zijn talen op zich, natuurlijk ontstaan, met een eigen vocabulaire en een eigen grammatica – het zijn geen primitieve ‘vertalingen’ van gesproken talen.

*** Jamaar, betekenis is toch helemaal niet systematisch en formeel definieerbaar? Taal staat bol van de spreekwoorden, uitdrukkingen, metaforen, ironie, woordgrappen, uitspraken die alleen in context kunnen worden geïnterpreteerd. Dat is natuurlijk waar – maar tegelijkertijd hebben al deze aspecten van betekenis hun bestaan te danken precies aan het feit dat er systematisch berekenbare, letterlijke betekenissen aan ten grondslag liggen. Ik kan de zin ‘Wat een mooie jurk’ ironisch gebruiken precies omdat mijn gesprekspartner op de hoogte is van de letterlijke betekenis van ‘wat een mooie jurk’. En een metafoor is een vergelijking die bestaat bij de gratie van het feit dat-ie letterlijk verwijst naar iets dat lijkt op de situatie waar we het eigenlijk over willen hebben. Het feit dat de interpretatie van natuurlijke taal niet ophoudt bij de letterlijke, systematische betekenis, wil dus niet zeggen dat het bestuderen en te beschrijven hiervan een zinloze exercitie is.

About hannadevries

University lecturer (in linguistics/artificial intelligence) with occasional opinions on religion & social justice-related stuff.
This entry was posted in Language & linguistics and tagged . Bookmark the permalink.

One Response to Hun hebben geen vierhonderd woorden voor sneeuw, of: het veelbewogen leven van een taalkundige

  1. Pingback: Coming soon: research updates! | hanna de vries

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s